Eén van de thema's in de Europese campagne lijkt het sociale Europa te worden. Vanuit diverse hoeken wordt het Europees project afgedaan als "teveel liberaal" en "te weinig sociaal". Wie bij de mensen sympathiek wil overkomen, doet er goed aan om -soms niet gehinderd door enige kennis van zaken- Europa af te schilderen als een bureaucratisch, zielloos koud gegeven.
Wat stoort is niet de vraag naar een sociaal Europa op zich. Al wie vecht voor rechtvaardigheid en sociale ontwikkeling betracht een nobel doel. Wèl storend is de selectieve bril waardoor men naar de geschiedenis van de Europese integratie kijkt en de zwart-wit tegenstelling die men wil maken tussen economische en sociale ontwikkeling. Alsof het een of/of verhaal betreft in plaats van een en/en gegeven. Het is onzin de economische constructie af te doen als een louter liberaal gegeven waartegenover dringend een sociaal bouwwerk moet komen staan. Economie en sociale ontwikkeling zijn onlosmakelijk verweven. Afhankelijk van het tijdstip en het politieke klimaat, kan de nadruk op een van beide aspecten sterker worden. Nooit echter mag de samenhang uit het oog verloren worden, want het ene kan niet zonder het andere. Vergelijk het met het schilderij "Gala Contemplating Mediterranean Sea" van Salvador Dalì. Afhankelijk van je ingesteldheid, zie je Dalì's Muze Gala, die uitkijkt op de Middenlandse Zee, dan wel het gelaat van Abraham Lincoln. Beiden zijn onmiskenbaar bestanddelen van het schilderij. Maar geen van beide afbeeldingen kan zonder de andere.
De term "sociaal Europa" is in feite een pleonasme. De Europese Unie is een economisch project, dat per definitie ook een sociale dimensie heeft. Op 1 januari 1958 trad het verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap in werking. Vanaf het begin lag de economie in het hart van het integratieproces. Toch was de economische integratie geen doel op zich. De creatie van een interne markt, met vrij verkeer van arbeid, kapitaal en goederen moest leiden tot een algemene stijging en verdeling van de welvaart.
(gezamenlijke persconferentie Annemie Neyts, 3e plaats VLD Europa en Gwendolyn Rutten, 3e opvolger VLD Europa op 27 april 2004)
(vervolg)
Eén van de meest opvallende bepalingen in het EEG-Verdrag betrof de gelijke beloning voor mannelijke en vrouwelijke werknemers. Oud-artikel 119 EEG-Verdrag verplichtte de lidstaten om gelijk loon voor gelijk werk te verzekeren. Dit artikel lag aan de basis van een belangrijke sociale evolutie in de lidstaten. In België begon de strijd voor gelijk loon naar gelijk werk op 16 februari 1966, met de staking van de vrouwelijke werknemers van FN Herstal. In dezelfde lijn lag de klacht die Gabrielle Defrenne in 1968 bij de arbeidsrechtbank indiende tegen haar werkgever Sabena voor discriminatie op grond van geslacht. Defrenne werd verplicht met pensioen te gaan omdat ze veertig jaar werd. Mannen met hetzelfde beroep konden doorwerken tot hun vijfenvijftigste. De klacht eindigde in 1976 bij het Europees Hof van Justitie. Daar werd het historisch arrest Defrenne uitgesproken. Er was sprake van discriminatie op grond van geslacht en omdat artikel 119 directe werking heeft, kon het ook voor Belgische rechtbanken ingeroepen worden. Dit leidde in 1975, eindelijk tot een Belgische collectieve arbeidsovereenkomst over gelijk loon voor gelijk werk.
De eis voor gelijk loon voor gelijk werk -die in 1975 werd vervolledigd tot de eis voor gelijkwaardig werk- illustreert twee dingen. Vooreerst dat men de sociale realiteit niet van de economische kan loskoppelen.
Want hoe nobel het streven naar gelijk loon op zich ook was, er zat ook een economische kant aan het verhaal. Frankrijk was in 1957 een van de weinige landen die dit principe reeds erkenden. Het land stond dan ook op een opname van het principe in het Verdrag, uit angst om economisch benadeeld te worden ten opzichte van landen die de gelijke beloning niet erkenden. Dit achterliggend economisch motief doet niks af aan de eerbaarheid van het principe. Het illustreert alleen de hoger vermelde verbondenheid tussen de economische en sociale integratie. Bovendien leert het verhaal van artikel 119 EEG Verdrag dat Europa een katalysator is in het streven naar sociale maatregelen. Getuige daarvan ook de Richtlijnen inzake gezondheid, veiligheid en hygiëne op de arbeidsplaats waarmee de Unie in de jaren '70 opnieuw direct ingreep in de regelgeving en mentaliteit van de Lidstaten.
Van de jaren '70 naar 2004 is een grote sprong. Er is in 30 jaar economisch en sociaal veel gebeurd. De Unie heeft een werkgelegenheidsstrategie uitgebouwd, die streeft naar meer en betere banen voor iedereen. Er bestaat een Sociaal Fonds, dat Europees geld verdeelt om de werkgelegenheid te bevorderen. De Unie houdt zich ook bezig met arbeidsrechtelijke kwesties. Men streeft op Europees niveau naar een gestandaardiseerd minimumniveau van werknemerbescherming. Er bestaan minimumeisen voor werktijden, bescherming van jongeren op het werk, collectieve ontslagen, eigendomsoverdracht van ondernemingen en insolventie van de werkgever. Via de zg. sociale dialoog zijn er belangrijke rechten verworven op het gebied van werktijden, contractsvormen maar bijvoorbeeld ook ouderschapsverlof. De richtlijn over ouderschapsverlof bepaalt dat zowel mannen als vrouwen bij de geboorte of adoptie van een kind recht hebben op ouderschapsverlof. De recente Belgische aanpassingen in dit domein zijn trouwens niets meer dan een omzetting van het Europese recht, waarmee de stelling van Europa als sociale katalysator opnieuw bewezen is.
De roep om een sociaal Europa heeft nooit luider geklonken dan vandaag. Toch is het ver van duidelijk wat er met die vraag bedoeld wordt, aangezien bovenstaand summier en zeer onvolledig overzicht aantoont dat de Unie wel degelijk een sociaal gelaat heeft. Alleen een gecombineerde economische en sociale aanpak werpt vruchten af. In geen geval mogen eenzijdige sociale eisen onze economie verstikken, net zo min als onder het mom van economische ontwikkeling sociale wantoestanden toelaatbaar zijn. Je bouwt geen sociaal paradijs op een economisch kerkhof.
Voor al wie zal zetelen in het Europees Parlement breken na 13 juni interessante tijden aan. De vraagstukken die op de agenda staan vragen immers om moedige en realistische antwoorden. We snijden kort twee punten aan: de dienstenrichtlijn en het Europees KMO beleid. Beide punten verenigen voor ons de stelling dat de Europese economie zuurstof nodig heeft om ook sociaal te kunnen groeien. Een eerste belangrijk thema is de voltooiing van de interne markt. Vooral in de dienstensector bestaan er nog heel wat obstakels. De dienstensector vertegenwoordigt 70% van het BBP, 60% van de werkgelegenheid en 50% van de economische activiteiten in de Unie. De Europese commissie heeft daarom een voorstel op tafel liggen over de vrijmaking van de diensten op de interne markt. Wij steunen dat voorstel, en weigeren mee te huilen met de onheilsvoorspellers die de tekst van de Commissie niet schijnen gelezen te hebben. Het vrij verkeer van diensten moet leiden tot meer keuzemogelijkheden, een betere kwaliteit en goedkopere producten. Er is geen sprake van een volledige harmonisering, wel van wederzijdse erkenning en non-discriminatie.
Bovendien erkent de Commissie heel wat uitzonderingen en afwijkingen, zoals de diensten die door de overheid gratis geleverd worden op sociaal, cultureel, juridisch en onderwijsgebied. Ook de diensten inzake openbare orde en, openbare veiligheid blijven buiten schot. Voor volksgezondheid telt een specifieke regeling. Het voorstel beperkt zich dus tot voornamelijk de private, commerciële diensten. Dat kan consumenten en ondernemers alleen maar ten goede komen. Wij zullen de voorstellen van de Commissie kritisch bekijken, maar we zijn het wel eens met het uitgangspunt en weigeren te vervallen in een blinde afwijzing van een goed initiatief.
Ten tweede is er nood aan een Europees KMO beleid, want KMO's zijn belangrijk voor onze economie en dus voor ons sociaal model. Ze zijn in de Unie goed voor meer dan de helft van de tewerkstelling. We zullen er dan ook alles aan doen om de Europese en Vlaamse KMO's de komende jaren meer ademruimte te geven. Dit kan door te strijden voor een eenvormig statuut van de Europese onderneming. Door ervoor te pleiten dat 25% van alle overheidsaanbestedingen wordt voorbehouden aan KMO's en door aan agenda-setting te doen en een Europese topconferentie over KMO-beleid te vragen. De Europese economie heeft ademruimte nodig. Alleen onder die voorwaarde kan ook een Europees sociaal beleid slagen.