Dagboek van een Vlaming: expo 58, mei 68, Vietnam en het feminisme

(uittreksels) Dag Allemaal 20 juli 1999

ANNEMIE NEYTS werd aan de universiteit een overtuigd feministe
‘Zelfs die linkse, progressieve en vrijzinnige jongemannen zagen ons liever thuis aan de haard blijven’
In onze interview- reeks ‘Het dagboek van de Vlaming’ komen de Nieuwe Tijden dichterbij.
Politica Annemie Neyts over Expo 58, de pil, het feminisme, Vietnam en het scharnierjaar 1968:

Politica Annemie Neyts over Expo 58, de pil, het feminisme, Vietnam en het scharnierjaar 1968: ‘Intellectueel borrelde er wel wat, maar er was ook veel schuim en hype bij.’
Het is elf uur. Annemie Neyts is blij, maar nog een beetje moe wanneer ze ons in haar kantoor, compleet met een collectie beertjes en verse bloemen, hartelijk ontvangt. De voorbije, lange nacht heeft de liberale politica met haar collega’s een regeerakkoord over Brussel gesloten. Mét garanties voor de Vlamingen, zegt ze enthousiast. Alsof we daaraan twijfelden. Annemie Neyts is een kind van de wederopbouw, heeft de welvaarts- en verzorgingsstaat zien groeien en liet de wind van mei ‘68 door haar haren waaien.

Welke herinnering is u het sterkst bijgebleven?
In een van mijn verste herinneringen ben ik een meisje van drie.Op een avond, het was aardedoriker,barstte een hevig onweer los boven het huis van mijn grootmoeder in Tongeren, waar ik logeerde. Opeens flitste langs de schoorsteen in de bijkeuken een vuurbol voorbij. Voor onze ogen is die bol over de tegels voortgeraasd en langs de waterleiding verdwenen.

Was je wel vaker bang?
Toen grootmoeder op sterven lag, heb ik een tijd in de kleuterklas op een katholieke school gezeten.Een non vertelde over de hel en de duivel. Ik had daar nog nooit van gehoord, wij zijn van huis niet kerks. Enkele weken later vloog deur van het klaslokaal open en daar stond hij, de duivel. Ik begon zelfs te krijsen. Maar het was de pastoor in soutane. De volgende dag heb ik mijn schoenen verstopt om niet meer naar school te hoeven gaan. Na de Tweede Wereldoorlog moest het land worden heropgebouwd. Stap voor stap kregen de Vlamingen het materieel beter.

Hoe keek u daar met uw kinderogen tegenaan?
Alles bij elkaar was het een probleemloze, gelukkige fijd. Eens per week gingen mijn broer en ik met de tram naar de ‘stad’, zoals we Brussel-centrum noemden. Frans en ik wandelden of winkelden, terwijl moeder een afspraak had met een vriendin in een theesalon van de Innovation of de Bon Marché, waar een orkestje speelde. Van comfort zoals we dat vandaag allemaal kennen, was evenwel nog geen sprake. De eerste ijskast dook rond 1951 op. Mijn broer en ik sliepen op de zolderverdieping, waar geen centrale verwarming was, die kwam er pas rond mijn twaalfde. Het heeft ook zijn tijd geduurd voor we over een volledig ingerichte badkamer beschikten. En we moesten het lang doen zonder warm water. Dat was vrij normaal in die tijd. In 1962 kochten mijn ouders hun eerste auto. Moderne luxe heb ik nooit als vanzelfsprekend beschouwd, nu nog niet. Dat is ongetwijfeld een gevolg van mijn kindertijd.

Hoe was het op school?
Heerlijk! De school in Etterbeek was gemengd en dat was heel plezant. Ze ligt in een groot park. Je kon in de dennen klimmen. Naast het centrale gebouw bevonden zich barakken, voorlopige gebouwen. Je deed de deur van zo’n klaslokaal open en stond in het park. Het ging er ook zeer modern toe. De leerkrachten onderhandelden collectieve afspraken met ons. Dat kwam door de aanwezigheid van Nederlandse leerlingen, die doorstroomden van de nabijgelegen basisschool Prinses Juliana. Hun mondigheid en vrijgevochtenheid straalde op ons af.

Waarover praatte u met uw leeftijdgenoten?
Over de liefde, of wat dacht u? Stukken interessanter dan over de Koude Oorlog een boom op te zetten. De Belgische politiek vonden we niet om aan te zien. Wij waren de enigen niet. In de winter van 1960-1961 vonden onder impuls van de Waalse vakbondsleider André Renard stakingen plaats tegen de Eenheidswet van de regering-Eyskens (een fors besparingsprogramma, nvdr). Er gold zelfs een samenscholingsverbod. Je kon Brussel niet in vanwege de opstootjes her en der. Er heerste een bijna revolutionaire sfeer.
U hebt de jeugdcultuur op het einde van de jaren vijftig zien of misschien zelfs horen – ontkiemen. Deed u enthousiast mee?
Ik zat op zondagavond aan Radio Luxemburg gekluisterd om niets van de top-twintig te missen. The Everly Brothers, Paul Anka, Elvis Presley, later ook Cliff Richard: dat was de muziek van niijn tienerjaren. Met een groepje vrienden bezocht ik ook jazzconcerten. We hielden van jazz, maar er was ook een tikje snobisme mee gemoeid. (lacht) Later traden The Beatles en The Rolling Stones op het voorplan. Ik heb de Stones zien optreden toen de openbare omroep hen nog kon betalen. Zo bekend waren ze, dat men publiek voor hun BRT-optreden moest rekruteren. ‘And now please scream’, maande de applausmeester ons aan. Sommige vriendinnen deden dat met grote overtuiging. Ik hield overigens van The Beatles én The Stones.

Zorgde de opkomst van de rock-‘n-roll en de protestsong voor een generatieconflict ten huize Uyttebroeck?
Neen, toch niet. Hoogstens vroegen rnijn ouders om enkel en alleen op mijn kamer lawaai te maken. Trouwens, mijn ouders hielden ook van het populaire lied. Ik zong op de speelplaats liedjes van Brassens. Die kende ik van hun platencollectie. Alhoewel ik als zesjarige wel niet begrepen zal hebben waarover die chansons het hebben. Censuur bij wat ik las of waar ik naar luisterd heeft bij ons thuis nooit bestaan. In de uitgebreide bibliotheek van vader kon ik in alle vrijheid op verkenningstocht gaan. En ik heb veel gelezen. Op mijn tiende kreeg ik de mazelen. Antibiotica was er nog niet, dat betekende dus drie weken thuisblijven. Bij de kachel, een Surdiac feu-continu, heb ik boeken verslonden.

Was politiek een gespreksonderwerp aan tafel?
Ja, thuis was er veel belangstelling voor hetgeen er in de wereld gebeurde. Ik ben opgegroeid met verhalen over oorlog, bezetting, collaboratie, hamsteren en smokkel. Veel pittoreske anekdotes, maar ook veel drama’s en menselijk leed. Toen in 1950 de oorlog in Korea begon, kreeg ik het benauwd. Nu wordt het ook bij ons weer oorlog, dacht ik. In 1956 kregen we de oorlog van Frankrijk, Engeland en Israël tegen Egypte rond het Suezkanaal. Ook de inval van de Sovjetrussen in Boedapest tekende 1956. Ik speelde bij een vriendinnetje toen dat nieuws bekend raakte. Haar oma riep opeens: ‘Christine, Annemie, jullie moeten komen, het is oorlog!’ In mijn herinnering is het in mijn jeugd nooit rustig geweest, er hing een soort continue oorlogsdreiging op de achtergrond. Ik zie de Paris Match-foto’s van de verovering van Dien Bien Phu door de Vietnamese guerrilla, in 1954 was dat, nog haarscherp voor me.
Bij u thuis lazen ze Paris Match.
Op de salontafel lagen Franse kranten en tijdschriften. Mijn beide ouders waren tweetalig en haalden anderstalige lectuur in huis. Hun en mijn wereld hield niet op aan de rand van Brussel. Ik ben ze daar nog altijd erg dankbaar voor.
Wat weet u nog van de Wereldtentoonstelling in 1958?
(enthousiast) Dat was iets ongelofelijks! De Expo was de vitrine van de wereld. We hadden thuis geen televisie, alles wat op de Expo te zien was, was nieuw en nieuws voor ons. Mijn broer en ik hebben zowat de hele zomer de Expo bezocht. We hadden een abonnement gekregen en gingen er naartoe met de tram. Ik werd veertien, mijn broer dertien. Wij mochten er van thuis alleen naartoe. Het Spaans paviljoen is me bijgebleven, omdat het zo groot was. Het Franse was ook mooi. Door op knopjes te drukken kon je de stemmen van een schrijver horen. Het Thaise paviljoen loonde eveneens de moeite. (lacht) Enfin, zeker als je nog nooit een echte Thaise tempel had gezien.

Na uw middelbare studie besliste u voort te studeren. Deden de meeste meisjes dat al?
In het atheneum van Etterbeek wel. De taalwetenschappen werden meer door meisjes bevolkt, in de toegepaste en exacte wetenschappen zoals wiskunde en ingenieur liepen er meer jongens rond. Ik volgde Romaanse omdat mijn vader dat gestudeerd had.

We zijn bij de jaren zestig aanbeland. De Vlamingen in Brussel gingen harde tijden tegemoet. Voelde u dat aan den lijve?
In de jaren zestig en zeventig kreegje inderdaad af te rekenen met het gigantische misprijzen in francofone kringen voor de Vlaamse en Nederlandstalige cultuur. De grapjes waren duidelijk. Ken je de naam van de exprestrein Brussel-Oostende? De Transménapien. Dat soort boertigheid. In 1958 verbleven we tijdens de vakantie met het gezin in Parijs. Ik lunchte met moeder. Naast ons dineerden Franstalig-Belgische professoren. Het Nederlands is geen taal maar een samenraapsel van dialecten, zei een van hen. Een andere verkondigde dat de Nederlandstalige cultuur niet bestond. Je reinste racisme! Wie een Franstalige in het Nederlands aansprak, bezondigde zich aan flamingandsche agessie, zo leek het wel. En enkel de Vlamingen hadden in de oorlog met de Duitsers meegeheuld. De collaboratiebeweging Rex en haar leider Léon Degrelle, daar hadden de extremistische Franstaligen nog nooit van gehoord. Begrijp je dat ik zo ongelooflijk kwaad word als ik racistische uitspraken hoor? Brussel had en heeft natuurlijk ook zijn taalkundige charmes. Je weet er nooit in welke taal je zal worden aangesproken. Dat vind ik wel leuk. Brussel is ook de stad waar Nederlands- en Franstaligen samen de naam van de zwarte voetballer Lambic Wawa scanderen. De grootste omwenteling van de jaren zestig is wellicht de komst van de anticonceptiepil geweest. Voor het eerst in de geschiedenis konden vrouwen hun seksualiteitsbeleving zelf controleren. De weg naar een vrijere seksualiteitsbeleving lag open. Dat lijkt zo, maar het was niet waar. Zelfs aan de Vrije Universiteit van Brussel heerste de dubbele moraal nog altijd. Jongens mochten alles, meisjes mochten niets. Als wij meisjes in de koffer doken, waren we hoeren. Jongens hielden hun status van charmante witte ridder aan. Daar kwam het eigenlijk op neer. Mannelijke studenten zegden zelfs dat ze enkel zouden trouwen met een vrouw die een lager diploma had. Maar goed, mede door die mentaliteit kon het feminisme langzaam broeden. Jonge vrouwen vonden dat traditionele patronen niet meer pasten. Rond 1968 is Dolle Mina Nederland uitgenodigd op de VUB. Nooit heb ik zo’n agressief publiek gezien aIs al die linkse, progessieve, vrijzinnige jongelieden van de VUB. Hun toekomstverwachtingen over de rolverdeling in het gezin werden aan diggelen geslagen. ‘Werken is ons privilege, de kinderen en het huishouden zijn voor jullie.’Ja, zo dachten ze nog allemaal. Ik was al feministe zonder het te weten, maar toen ben ik overtuigd feministe geworden.
Ondanks de stijgende welvaart, nam het ongenoegen onder de jongelui toe. Het kwam tot uitbarsting tijdens de studentenonrust in Parijs, in het voorjaar van 1968. Hoe beleefde u die tijd?
Voor mij was de inval in Praag door de Sovjetrussen in augustus van datzelfde jaar veel belangrijker voor de wereld dan de studentenrevolte. Dat meen ik. Ik gaf toen zelf al les, de leerlingen wilden staken voor Leuven-Vlaams. De tweetalige universiteit van Leuven moest volledig Nederlandstalig worden. Het toeval wilde dat ik net zelf drie dagen gestaakt had met mijn collega’s: we wilden een betere wedde. Goed, we hebben de leerlingen samengeroepen. Er vond een ‘vrije vergadering’ plaats, zo ging dat toen. ‘s Namiddags lieten we hen door de straten van Zaventem lopen, een beetje ordelijk. En iedereen was content. Toch voelde je dat ongenoegen wel aankomen, hoor. Het begon met de Amerikaanse protestbewegingen tegen de betrokkenheid van de Verenigde Staten bij de oorlog in Vietnam en de protestliederen van Bob Dylan, Joan Baez en Donovan. Toch vond ik de in de kiem gesmoorde Praagse Lente belangrijker. De inval van de Sovjet-Unie in Praag was een cynische illustratie van het brutale gelaat van het stalinisme.

U bent na de universiteit les gaan geven en verdiende uw eerste centen. Wat deed u ermee?
Eerst en vooral een auto kopen. Het werd een Austin Mini Cooper. En ik ging goedkoop op vakantie naar het dichtere buitenland, reisjes naar Londen, het Mekka van de jongerencultuur. Frankrijk en Portugal stonden ook op het programma. Kleren vond ik toen niet zo belangrijk, daar gaf ik niet veel centen aan uit. Mijn moeder had trouwens een naaister die kleren op maat maakte. Die vrouw heeft me lange tijd gekleed. Daama heb ik wat moeten zoeken. Ik was nogal onzeker over de manier waarop ik me het best kleedde. Maar daar ben ik nu overheen.

De landing op de maan in 1969, heeft u die gezien?
(laconiek) Die heb ik niet gezien. Ik was toen met mijn lief in Bretagne en had beter te doen dan naar de maan te kijken. Ik herinner mij de landing op de maan wel hoor, maar om andere redenen. (lacht)
Wat blijft u vandaag van mei 1968 bij?
Ik herinner me een krantencommentaar waarin een journalist zich kwaad maakte over rijkeluiskinderen die jammerden over de consumpfiemaatschappij. Terwijl uitgerekend op datzelfde ogenblik arbeidersgezinnen voor het eerst toegang kregen tot het moderne comfort. Hij heeft gelijk, dacht ik. Mij blijft ook de periode van enorme intellectuele opborreling bij, al was er veel schuim en hype. En we hadden nu eenmaal een luxe die er vandaag niet meer is. Wie in de jaren zesfig aan de universiteit zat was zeker van een baan. Dat is vandaag niet langer het geval.

U bent tot op heden geengageerd gebleven. U houdt niet van een veilige plek bij de haard?
Thuis zou ik zot worden. Mijn werk is niet allesoverheersend, maar het is de grootste bron van zelfverwezenlijking. Ik hoop dat ik door mijn werk ideeën kan verspreiden. Dat kwam telkens terug, in de jeugdbeweging, op school en in de politiek. Wist u dat ik nog politieke vorming gegeven heb aan mensen uit Oost- en Centraal Euro pa en Afrika? We discussieerden over recepten voor een betere democratie. Het is toch schitterend je daamee bezig te houden?

U deed Afrikanen nadenken over democratie. Wat hebben zij u geleerd?
Ze maken de meest verschrikkelijke gebeurtenissen mee en toch staan ze opnieuw op. Je kunt hun houding vergelijken met een rietstengel die wel buigt, maar altijd weer rechtop komt. Hun vindingrijkheid is onuitputtelijk.
Goed tweehonderd jaar geleden brak de Franse revolutie uit. De opstandelingen ijverden voor vrijheid, gelijkheid en broederschap.

Komen die idealen een beetje dichterbij?
Ik ben eerder optimistisch dan pessimistisch. Het aantal staten dat min of meer democratisch is, stijgt De eerbiediging van de mensenrechten vindt meer en meer ingang. De doorbraak van de vrijemarkteconomie is ook positief. En dan heb ik het niet over de wet van de jungle, maar over een houding waarbij je de mensen de ruimte laat om initiafieven te nemen. Maar omdat mensen onvolmaakt zijn en blijven, is niets ooit verworven. Noch de democratie, noch de vrijheid noch de emancipatie van de vrouw: noch de vrede. We moeten eraan blijven werken, anders verdorren die principes. Daarom ben ik blij dat er nieuwe, andere regeringen in België aan de slag kunnen. Het was de hoogste tijd voor een nieuwe dynamiek.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *